Er zijn meerdere studies die EMG en echografie met elkaar hebben vergeleken, waarbij geen systematisch verschil in diagnostische test-karakteristieken werd gevonden.[2, 3] Een belangrijke kanttekening is dat er verschillende EMG-protocollen, echoprotocollen en referentiewaardes werden gehanteerd. Een getrapte inzet, waarbij men start met echografie en indien die negatief is bij een hoge klinische verdenking laat volgen door een EMG, biedt waarschijnlijk de beste balans tussen belasting voor de patiënt en diagnostische opbrengst.[4]
Voor het CTS zijn meerdere EMG-testen beschreven met inter- en intraneurale motorische (absolute of latenties) en sensibele (orthodrome en antidrome) vergelijkingen.[6] Het advies is om 4 testen routinematig te gebruiken, de afstanden tussen stimulatie en de afleid-elektroden te standaardiseren en bij 2 of meer afwijkende testen (latentieverschil >0.4ms) het EMG als positief voor een CTS te beschouwen. In de praktijk kan men dus met 2 testen starten en zo nodig uitbreiden, om tot de 2 positieve testen te komen.
Sensibele CTS testen vinden doorgaans antidroom plaats, de afkapwaarde voor interneurale vergelijkingstesten bij gestandaardiseerde afstanden is >0.4ms. Overige EMG testen die voor CTS zijn beschreven: sensibel inching dig II (medianus), dig II (medianus pols vs palm), dig II en V (medianus vs ulnaris), palm (medianus vs ulnaris orthodroom) en motorisch abductor pollicis brevis ((APB) medianus) vs abductor digiti minimi ((ADM) ulnaris), APB (medianus) vs adductor pollicis ((ADP) ulnaris), APB pols vs palm (medianus) en APB (medianus absolute latentie).
Voor proximale lesies van de n. medianus wordt een combinatie van EMG (geleidingsonderzoek + eventueel naaldonderzoek) en echografie (in het scantraject van pols tot en met de oksel) aanbevolen.